Gastblog: ‘KERKEN, KADERS en KANSEN’

geplaatst in: Uncategorized | 0
Tree of love (Ciarán of Clonmacnoise), © Kreg Yingst 2020

Gastblog door Jan Willem Hengeveld, collega hbo-theoloog in de ggz.

In de uitgebreide beschouwing hieronder ga ik in op het rapport ‘Geroepen door Christus’. Ik wil duidelijk maken waarom ik hoop dat de synode een andere weg kiest dan die welke geschetst wordt in het rapport. Ik beperk mij tot het punt waar het ooit allemaal om begon: De positie van de hbo-theoloog binnen de PKN. Als hbo-theoloog ben ik belanghebbend en ongetwijfeld bevooroordeeld. Dat zal ook doorklinken in de inleidende beschrijving van mijn gang naar en binnen de PKN. Daarna ga ik in op enkele thema’s uit het rapport.

Kerkelijk zwerver

‘Jan Willem, zoek alsjeblieft aansluiting bij de PKN. Ze willen jou toch nergens anders hebben.’ Met die woorden zette een bevriende kerkelijk werker mij op het spoor van de Protestantse Kerk in Nederland. Het was in de beginfase van mijn opleiding Godsdienst Pastoraal Werk/hbo-theologie in Ede.

Enkele jaren daarvoor was ik de kerk binnen gestruikeld via de brede evangelische voordeur. Die jas bleek al vrij snel niet te passen. De officieuze maar goddelijke verordonneerde hiërarchie was daar debet aan. Ik vervolgde mijn weg langs kloosters, huiskerken en allerlei gemeenten. Ik bricoleerde een oecumenisch geloof bij elkaar en vond daartoe belangrijke nieuwe aanzetten in mijn opleiding. De wijze raad van de bevriende kerkelijk werker volgend, zocht ik contact met een lokale predikant met het verzoek bij hem stage te mogen lopen. Het zou voor ons beiden een verrijkende ervaring worden. Hij – gepromoveerd, vrijzinnig, hoog liturgisch en nog nooit een hbo-student begeleid hebbend – kreeg te maken met een onervaren ongeleid projectiel met roepingsbesef. Samen zochten en vonden we twee jaar lang een weg waarin het vertrouwen groeide. Nog altijd zie ik hem als mijn mentor. Degene die mij ‘het ambacht’ leerde.

Je plek vinden

Het bleek de basis voor mijn persoonlijke en professionele toetreding tot de PKN. Zo kwam ik binnen in een voor mij tot dan toe eigenlijk onbekende wereld, een wereld met ruimte. Een groeiende ruimte bovendien. Niet in de laatste plaats voor de hbo-theoloog. Maar geen enkele ruimte in onbegrensd. Sterker nog, zonder grenzen en kaders is er geen sprake van (een) ruimte. Kerkmuren werden voor mij metaforische afbakeningen waarin ik steeds vrijer leerde bewegen. De vaak gevraagde laagdrempeligheid van erediensten, leek mij daarbij lang niet altijd wenselijk. Al te naadloze overgangen tussen de openbare en de sacrale ruimte doen geen recht aan de verrijkende vreemdheid van religie. De archaïsch aandoende liturgie leerde ik kennen en ervaren als de priesterlijke dienst waarnaar het woord verwijst. De traditie bleek met recht de overdracht van wat enkel de huidige tijdsgeest niet dragen kan. Met die traditie kwam echter ook mee dat er voor mij niet alle ruimte was om in de liturgie als voorganger te functioneren. Ik had in de loop der tijd genoeg exegetische escapades gezien en begaan, om ook die afgrenzing op waarde te schatten.

Gelukkig bleken het advies van de bevriende kerkelijk werker en het vertrouwen van ‘mijn mentor’ een door te trekken lijn. Met bijscholing en begeleiding ontstond de mogelijkheid de gemeente te dienen in woord en sacrament. Tot dan toe kon ik in de gemeente waar ik werkte, enkel voorgaan in vrijgestelde bijzondere vieringen. Mijn directe collega’s, allemaal wo-geschoold, steunden en ondersteunden mij ruimschoots. Ook de kerkenraad zette zich in voor mijn preek- en sacramentsbevoegdheid. En minstens zo belangrijk was dat ‘gewone gemeenteleden’ aangaven het als een gemis te ervaren dat degene die de verkondiging deed, niet de zegen uitsprak. Dat degene met wie zij een pastorale vertrouwensband opbouwden, hen niet kon trouwen en hun kinderen niet kon dopen. In hun ogen hoorde dat bij mijn roeping en dat waartoe ik verkozen was door de gemeente. Hetzelfde geldt voor de patiënten in de ggz-instelling waar ik nu werk. Ook voor hen zou het niet uit te leggen zijn dat we lief en leed delen, maar dat we het brood alleen zouden mogen breken, en de zegen alleen zou kunnen klinken als er een bevoegde predikant ingevlogen wordt. Daarom ben ik blij dat ook mijn huidige zendende gemeente, zich schaarde achter mijn preek- en sacramentsbevoegdheid.

Je plek kennen

Maar deze steun en het vertrouwen waren niet vanzelfsprekend. Ik ontmoette geregeld terughoudendheid van predikanten. Soms zelfs regelrechte weerstand. De ene keer impliciet, de andere keer expliciet: ‘Waarom zou iemand met een hbo-opleiding ineens hetzelfde mogen als wij met onze academische vorming?’ Die geluiden heb ik sindsdien vaker gehoord. Niet snel zal ik  vergeten dat een predikant hbo’ers die als dominee wensten te functioneren, vergeleek met fysiotherapeuten die eigenlijk dokter hadden willen worden. Met andere woorden: het was een kwestie van kennen en kunnen en je plek kunnen kennen. Vaak klonken echter meer redelijke en minder retorische argumenten. Bijvoorbeeld aangaande de grondtalen, theologische denkkracht en liturgische vorming. De ambachtelijkheid, het handwerk van het predikantschap was in het geding. Ik was en ben de laatste om te ontkennen dat een academische opleiding hierin op veel punten rijker is dan een hbo-opleiding. Maar de vraag die ik maar niet beantwoord kreeg was deze: waaruit blijkt nou concreet dat een hbo-opleiding onvoldoende opleidt tot volwaardig voorgangerschap? En waaruit blijkt nou dat afgestudeerde hbo-theologen zich onvoldoende verder kunnen bekwamen in die rol? Tot op heden heb ik daar geen bevredigend, laat staan een overtuigend antwoord op gekregen.

Geroepen door Christus

Via deze lange persoonlijke introductie kom ik op het rapport ‘Geroepen door Christus’. Om met de deur in huis te vallen: ook dit rapport biedt geen antwoord op de bovengestelde vraag. Nu zou je kunnen zeggen: dat was ook niet de vraag die voorlag. Ja, dat is zo. Maar ik denk wel dat dit een, zo niet dé vraag is, die gesteld en beantwoord moet worden. Want wie stelt dat een rol of functie niet vervuld kán of zou moeten worden door hbo-geschoolden, moet op z’n minst aannemelijk maken dat zij hier onvoldoende toe in staat zijn. Enkel schetsen waarom wetenschappelijke gevormde predikanten hiertoe wel in staat zijn, is geen argument om hbo-theologen categorisch uit te sluiten.

‘Tom Poes, verzin een list!’

De opstellers van het rapport komen echter toch tot de conclusie dat sacramenten en zegen, exclusief toebehoren aan academici. Ze komen daartoe door het bedienen van de sacramenten en het uitspreken van de zegen, weg te halen uit de sfeer van gave en competentie! Onomwonden wordt gezegd: ‘De zegen uitspreken, bijvoorbeeld, is geen kwestie van liturgische competentie of vaardigheid.’ En elders: ‘het bedienen van de sacramenten is, zoals hierboven beschreven, immers geen kwestie van gave en competentie.’ In plaats daarvan wordt de bevoegdheid in verband gebracht met ‘de positie van dienaar van Christus. Dat is een positie die de kerk toevertrouwt aan hen in wie zij de Levende herkennen en die tot zijn dienst geroepen zijn’.  Vaardigheid en competentie zijn nog wel belangrijk, maar deze worden veronderstelt: ‘De aard van het geordineerde ambt veronderstelt een bekwaamheid van geordineerde ambtsdragers waarin spiritualiteit, theologische bekwaamheid en professionele competentie samengaan en Christus centraal staat. Een dienaar van Christus dient Christus in doen en laten en in zijn.’ Nu valt hier theologisch inhoudelijk veel over en voor te zeggen. Maar waar het mij hier nu vooral om gaat is de opmerkelijke koerswijziging. Hoorde je voorheen vooral dat je ‘competent’ diende te zijn en dat hbo-theologen dat onvoldoende waren, nu blijkt het ineens geen kwestie van gave en competentie meer! Nog los van deze wonderlijke wending, is dit inhoudelijk een vreemde eenzijdige stellingname. Want voor het welslagen van de liturgie, d.w.z. van de priesterlijke dienst van God aan de gemeente, is het nodig dat degene die in die priesterlijke bediening staat, competent en vaardig is. Die priesterlijke bediening wil het rapport juist ook meer naar de voorgrond halen! Laat nou net de liturgische competentie binnen de hbo-opleiding een belangrijke plek innemen. Dat beantwoordt aan het feit dat ambachtelijkheid vereist is.

Nu dan de vraag: waaruit is de afgelopen jaren gebleken dat hbo-theologen met sacramentsbevoegdheid hierin wezenlijk tekortschieten? En waaruit blijkt dat de gemeente in hen de Levende onvoldoende herkent? En waaruit blijkt dat zij onvoldoende het terecht gevraagde tegenover zijn? Maar bovenal waaruit blijkt dat deze mensen hiertoe niet door Christus geroepen zijn? Want dat is het uitgangspunt van het rapport; dat het geordineerde ambt teruggaat op Christus zelf. Enkel een overtuigend antwoord op deze vragen, kan aanleiding zijn voor het niet langer verstrekken van sacramentsbevoegdheid aan hbo-geschoolden.

Cirkelredenering

Dat overtuigende antwoord blijft vooralsnog uit. Wat (geparafraseerd) wel klinkt is een cirkelredenering waarin bekwaamheid toch weer een centrale rol speelt. Die cirkelredenering ontstaat door het volgende: Als Protestantse Kerk in Nederland  ‘creëren’ we geen dominees, maar bekwamen en roepen, ordineren en zenden hen die door Christus geroepen zijn ten behoeve van de verkondiging van het evangelie. In dat hele proces van bekwamen en roepen, ordineren en zenden, erkennen we gelovig dat Christus deze mensen geroepen heeft tot de openbare positie van dienaar van het Woord’ Van wie wordt zodoende gelovig erkent dat zij geroepen zijn door Christus tot de openbare positie van dienaar van het Woord? Zij die door de PKN bekwaamd, beroepen, geordineerd en gezonden zijn. Wie worden door de PKN bekwaamd, beroepen, geordineerd en gezonden? Zij van wie de PKN gelovig erkent dat zij door Christus geroepen zijn tot de openbare bediening van het Woord. Waaruit blijkt dat zij hiertoe door Christus geroepen zijn: uit het feit dat de PKN hen bekwaamd, beroepen, geordineerd en gezonden heeft…

Het zal niet verbazen dat ik de fundering van het ambt in Christus zelf, niet volg op die manier die het rapport voorstelt. Die benadering is mij veel te essentialistisch. Men lijkt het predikantschap ontologisch te willen funderen. Het predikantschap is echter een menselijk construct. Inderdaad mede gegrond op het gelovig erkennen dat Christus mensen roept. Dat wij die roeping bevestigd zien in het volbrengen van een opleiding die daartoe bekwaamt en vormt, is niet vreemd. Maar dat enkel de academische weg daartoe kan leiden is geen noodzakelijkheid.

Wel gelijkwaardig, niet gelijkaardig

Het past hier in te gaan op het beeld dat geschetst wordt van respectievelijk hbo- en wo-student en hun opleiding. Terecht en overduidelijk wil het rapport beide op waarde schatten en niet tegen elkaar uitspelen. Helemaal daaraan ontkomen lijkt echter niet te lukken. Want het geschetste onderscheid voelt ondanks de benoemde overlap in opleiding toch heel fundamenteel aan. Ik denk dat dit anders was geweest als de opstellers een of meerdere hbo’ers hadden laten meeschrijven aan dit rapport. In ieder geval had het rapport dan een voorbeeld kunnen zijn van wo’ers en hbo’ers die samen optrekken. Nu laat het zich lezen als: ‘men is wel gelijkwaardig maar niet gelijkaardig. Hbo’ers en wo’ers zijn nou eenmaal verschillend geschapen en ze hebben een andere roeping. Maar er blijft veel over dat hbo’ers wel kunnen doen. Denk bijvoorbeeld aan hoe ze tot zegen kunnen zijn als expert voor kinderen en ouderen.’

Het geheel dient zo vooral de categorische uitsluiting van hbo-theologen tot het geordineerde ambt. En bij die categorische uitsluiting moeten vragen gesteld worden. Juist omwille van de kerk in deze tijd. Wat denkt men bijvoorbeeld van hbo’ers die niet-theologische academische opleidingen hebben genoten naast, vóór of na hun studie hbo-theologie? Zij beschikken ontegenzeggelijk over het gevraagde reflectieniveau. Ook hebben zij vaak vanuit die opleidingen leren kijken naar de complexe, uitdagende en in gezagscrisis verkerende informatiesamenleving die in het rapport beschreven wordt. Toch zouden zij, de richting van dit rapport volgend, de gemeente niet volwaardig als voorganger kunnen dienen. Hetzelfde geldt voor hen die wellicht niet academisch geschoold zijn, maar een rijke ervaring uit bedrijfsleven, politiek of maatschappelijk middenveld meenemen. ‘Heel waardevol’, lijkt het rapport te zeggen, ‘en we hebben jullie graag als experts in ons midden. Maar de sacramenten behoren toe aan de generalisten, ook al zijn zij volledig gevormd op vaak homogene vwo’s, universiteiten en beroepen door een al even homogene kerk’. Ik zet het hier bewust scherp neer omdat de kerk in de geschetste complexiteit van de huidige tijd, juist baat heeft bij geordineerde voorgangers die deze complexiteit op andere manier hebben leren beschouwen en die op een andere manier door die complexe werkelijkheid gevormd zijn. Veel gemeenten en instellingen kennen inmiddels allang de meerwaarde daarvan. De deur naar en voor deze potentieel volwaardige en waardevolle voorgangers wordt dichtgedaan als de richting van dit rapport gevolgd zou worden.

Vierde ambt.

Dan tot slot iets over het voorgestelde vierde ambt. Dat lijkt mij volslagen overbodig. Het huidige ambt zou naar ik meen gewoon ruimer toegankelijk moeten worden. Een onderscheid kan blijven bestaan waar het de verschillende expertisen betreft. Wat de positie in en tegenover de gemeente betreft, moeten ze echter volledig gelijkgesteld worden. Een vierde ambt lijkt enkel nodig om hierin toch een onderscheid te handhaven, dat zich maar moeilijk rechtvaardigen laat. Het heeft vooral een indammend karakter. ‘Indammen’, dat woord komen we ook tegen op een cruciaal punt in het rapport. Want daar gaat het over ‘misstanden’ die ingedamd zouden moeten worden. Welke misstanden? Dat wordt niet duidelijk. Maar dit is wel wat het rapport op belangrijke punten ademt: terugdringen en indammen van de hbo-theoloog en het versterken van de positie van de predikant. Ook in hiërarchische zin.

Bezien vanuit de huidige in een gezagscrisis verkerende complexe samenleving, meen ik hier een overeenkomst te zien met andere maatschappelijke ontwikkelingen. Namelijk dat daar waar voor de ene groep meer ruimte en/of gelijkheid komt – laten we het voor het gemak emancipatie noemen – een andere groep zich bedreigd of miskend voelt. Want waar de één wint moet de ander wel verliezen, zo lijkt de gedachte. Indammen en het verdedigen van bestaande belangen wordt in zo’n setting een voornaam doel. Al gauw wordt dan een beroep gedaan op een voorheen niet zo relevant geachte hiërarchie. We waren immers allemaal gezellig gelijk ‘totdat zij kwamen.’ Een vriendelijk en verleidelijk aanbod aan de ‘nieuwkomers’ is dan om hen iets te verkopen als vooruitgang, wat eigenlijk volstrekt normaal zou moeten zijn. Zo komt dit vierde ambt, waar niemand om gevraagd heeft, op mij ook over. Een goede rechtspositie en een duidelijk functieprofiel zouden doodgewoon moeten zijn.

Nee, dat vierde ambt, ik sta er niet om te springen. Het lijkt mij een houten jas. Die zal moeilijk passen en we hebben ‘m eigenlijk ook niet echt nodig. Liever en beter zoeken we naar mogelijkheden binnen bestaande en ruimte scheppende kaders. Dat is hoe ik de PKN ook heb mogen leren kennen de afgelopen jaren. Moge de synode die weg vooruit blijven bewandelen.